De reactie van Gerda op mijn vorige blog deed me ergens aan denken. Wat wilde ik als kind ook al weer worden? Maar ook lieve lezer, wat wilde jij eigenlijk worden toen je je klein was? En wat wil je nu worden? Of ben je het al? En als je het bent, is het dan fijn om te zijn wat je wilde worden? En ben je nu ook een echt groot mens, met een loonstrook? Is dat bevredigend? Voel je je jezelf een echt iemand met een baan en een leven? Iemand met collega’s, een kantoor, iemand die vrijdagmiddagborrels heeft?

Dit vraag ik me allemaal af. Ik ben zelf namelijk nog helemaal niks. Eerst was ik kind, en na een paar jaar had ik een Havo diploma. De eerste mijlpaal. Ik ben nu in ieder geval niet meer het giechelend hoopje niets dat net van de basisschool komt. Maar veel meer dan dat ben ik eigenlijk ook niet. Ik heb nu bijna een propedeuse. Maar dat staat ook gelijk aan weinig meer dan niets. Er zijn mensen van mijn leeftijd die al bijna een HBO opleiding hebben afgerond en dan… Dan staat niets hen meer in de weg een volwaardig mens te zijn. Want dat is waar we allemaal naar toe gaan. Naar de vijfdaagse werkweek. Naar de hypotheek. Naar de weekendjes in centerparcs met onze kinderen. Welgemoed doet mijn hele omgeving zijn best om dat in zo weinig mogelijk tijd te bereiken.

Vroeger. Dat is helemaal niet lang geleden. Vroeger wilde ik een jongetje zijn en boer worden. Ergens had Gerda dus toch gelijk. Ik wilde koeien melken en eieren rapen. Ik ging op klompen naar school en zeurde tegen mijn ouders om een overal. Ik oefende zelfs in praten met een accent. Dat hebben immers alle boeren.

Mijn vader kwam met de eerste domper op mijn wilde fantasieën. “Boeren kunnen in de zomer nooit op vakantie, omdat ze het veel te druk hebben.” Ai, nooit meer op vakantie. Maar dan ook nooit meer ’s zomers in het badje, want ik had het te druk met het binnenhalen van de oogst. Mijn boerendroom stond een paar weken heftig onder druk. Ik besloot toch boer te worden, en dan maar op wintersport te gaan. Maar toen kwam de juffrouw. Zij zei: “Boeren mogen nooit uitslapen, en moeten altijd heel vroeg opstaan om de koeien te melken.” Dat is de genadeklap geweest. Nooit op vakantie, nooit in het badje, en dan ook nog eens nooit meer uitslapen. Dan maar geen boer.

Een paar jaar later las ik Anne Frank. In navolging van mijn nieuwe idool wilde ik schrijver en journalist worden. Ik stelde me voor dat ik op een afgelegen zolderkamertje in het buitenland achter een typemachine zat. Natuurlijk was het daar heel koud, en was ik erg mager. Vanuit de hele wereld stuurden mensen mij brieven, waarin ze hun diepste gevoelens aan mijn uitstortten. Gewikkeld in veel omslagdoeken, schreef ik ze dan tedere adviezen terug. Jaren later vonden deze mensen mij, na vele omzwervingen in barre omstandigheden. Tot tranen toe bewogen bedankten zij mij. Mijn advies had hun leven veranderd.

Je begrijpt dat ik in die tijd niet de leukste persoon was om mee om te gaan. Sterker nog, ik was de nerd van de klas die zich inbeeldde de Oprah Winfrey van de schrijverswereld te worden. Mijn daaropvolgende dromen waren al net zo onrealistisch, en varieerden van kunstenares tot restauranthouder. Maar er wáren tenminste dromen. Sinds ik van de middelbare school af ben, heb ik evenveel levensinspiratie als de gemiddelde punaise. Dat is nu twee jaar geleden.

Ik ben getrouwd, dat is al iets. Ooit wil ik wel een hond en een huis en een kind. Maar voor de vijfdaagse werkweek, de hypotheek en de weekendjes centerparcs houd ik mijn hart vast. Kunnen dat soort dingen gecombineerd worden met dromen en idealen? En waarom ken ik niemand anders die bang is om burgerlijk en gesetteld te worden? Laat je geen zand in de ogen strooien. Koophuizen, loonsverhogingen en recreatieparken zijn uitvindingen van de overheid om ons rustig te houden. Opium voor het volk!

Reageer