[wijvenweek] wijflijf

30 maart 2008

Wijflijf en ik hadden jarenlang een nogal gespleten relatie. Ik was de baas, dacht ik. Ik zocht mooie plaatjes uit van wijvenlijven, en hield die aan mijn wijflijf voor. ‘Zo moet je zijn wijflijf’, zei ik dan, ‘en wel nu meteen’. Ik was overtuigd van de maakbaarheid van het wijflijf en botvierde al mijn grillen op haar. Ik wilde het wijflijf beheersen en gebruikte haar als experimentele proeftuin.

Dit had tot gevolg dat ik vaak dagenlang geen eten in het wijvenlijf stopte, om haar daarna ineens vol te stampen met junkfood. Dit kon in een week oplopen tot zeven kilo meer of minder wijflijf. Maar een wijvenlijf kan niet tegen zo’n levensstijl, getuige de vele uren die het wijflijf wit en trillend boven de wc-pot hing. Toiletten liepen als een rode draad door het leven van wijflijf. Bijvoorbeeld als ik weer eens van die duren pillen had gekocht en daar veel te veel van tegelijk in het wijflijf stopte. Sommige van die pillen hadden rare bijwerkingen. Vaak vond ik dat het wijflijf te veel at. Dan stopte ik twee vingers in haar keel, tot er niet meer uit haar kwam dan een zielig hoopje gal. Dit gebeurde zo vaak, dat het wijflijf op den duur zelf in de gaten kreeg wat de bedoeling was na het eten.

Wijflijf werd mijn grootste vriend en mijn meest gehate vijand. Die wisselende gevoelens waren wederzijds. Als ik in het holst van de nacht het wijflijf dwong tot eindeloze spieroefeningen, hoorde ik haar kreunen en zuchten. Ze haatte me ook als ze midden in de winter alleen ijskoud water te drinken kreeg, en de hele dag het koude zweet langs haar rug liep. Ze zag vaak bleek en het werd regelmatig zo zwart voor haar ogen dat ze omviel. Dit beviel mij maar niets. Het lukte me niet om wijflijf te krijgen zoals op de plaatjes. Ze zag er precies hetzelfde uit, maar haar vel was zo vaal en haar ogen stonden anders.

Toch konden wijflijf en ik het ook vaak goed samen vinden. We hadden dezelfde geheimen en waren een hecht team. ‘Nee hoor, ik heb al gegeten’ zei ik tegen iedereen, en wijflijf knorde mee. Als ik het moeilijk had wist ik dat ik altijd nog wijflijf had om op terug te vallen. Wij samen, wij zouden ons er wel doorheen slepen. Ze liet me nooit in de steek en hielp me altijd als mensen me wantrouwend aankeken. We logen en manipuleerden wat af, maar we wisten dat het voor de goede zaak was. We hadden idealen die niemand kon begrijpen.

Toen leerde ik GJ kennen. Hij werd de spelbreker in onze vriendschap. Zolang hij bij me was kon ik niet meer liegen en manipuleren. Hij werd ook vaak verdrietig van de dingen die ik met wijflijf deed. Maar hij woonde ver weg, en als ik hem dan weer een paar weken niet zag, konden we rustig onze gang gaan. Hij schrok zich vaak wezenloos van het sterk vermagerde of uitgedijde wijflijf, en dan werd ik boos. Ik wilde niet dat hij tussen ons in kwam staan. We hadden samen al zo veel meegemaakt en altijd steun aan elkaar gehad. Ik wist dat onze vriendschap donkere kanten had, en die maakten me vaak aan het huilen. Ik wilde goed voor wijflijf zorgen, maar ik haatte haar ook en wilde haar straffen.

Nu ben ik getrouwd met GJ, en mijn haat-liefde verhouding met wijflijf is naar de achtergrond verdrongen. Ze is er nog, maar laat weinig van zich horen. Soms wordt ik ineens op een pijnlijke manier met haar geconfronteerd. Bijvoorbeeld als ik wijsgerige oma’s hoor praten over van die meisjes. Van die meisjes die dingen doen die je niet begrijpen kunt. Dan buig ik beschaamd mijn hoofd, want ik weet dat ik een van die meisjes ben. Tegelijk maakt het me redeloos kwaad als ik mensen uitspraken hoor doen die nergens op slaan. Ze hebben geen idee wat het is, ze veroordelen en hebben een verkeerde houding. Ik ben ook nog wel eens naar websites gesurfd waar meisjes en hun wijvenlijven samen komen om elkaar tips te geven. Dan denk ik met weemoed terug aan mijn eigen tijd, en moet me bedwingen om er niet ook een serie tips en tricks bij te zetten. Ik ben trots dat ik ooit zo goed was, op wat ik en wijflijf allemaal hebben bereikt. Maar soms laat de pijn van de eenzaamheid zich ten volle gelden.

Het is niet weg, en het zal waarschijnlijk ook nooit weggaan. De eeuwige haat-liefde gevoelens zullen blijven. Het gaat nu goed en mijn leven is op een ander manier beheersbaar geworden. Maar ik weet zeker dat alles terugkomt op het moment dat GJ er niet meer zou zijn. Daar wil ik maar liever niet aan denken.

Omdat ik geen kinderen heb, en ze niet concreet in de planning zitten, borduur ik nog even lustig voort op mijn uitspatting van taalsentiment vorige week. Kinderen zijn immers taalkunstenaars en filosofen ineen.
Bij filosofie hadden we het een tijdje geleden over objecten en de bijbehorende woorden. Los van taallogica is er geen enkele reden waarom een appel geen peer zou heten. Het is immers maar een aanduiding zodat het wat makkelijker wordt om er over te praten. Meestal valt dat niet op. Iedereen noemt een appel een appel in het Nederlands, en we begrijpen allemaal naar welk ding er verwezen wordt. Toen ik deze weblog doorspitte (die overigens heel erg de moeite waard is), stuitte ik op dit logje, en besefte ik weer dat het niet voor alle woorden geldt. Waarom is het voor meisjes niet handig op een mannenfiets met zo’n stang te rijden? Omdat ze onherroepelijk op de stang vallen en dat doet pijn aan je poenie. Ik zou zeggen, Amsterdam Zuidoost slang, maar wie hier in België weet dat? Er bestaan zoveel woorden voor geslachtsdelen dat ik betwijfel of iemand behalve de huisarts ze bij hun officiële naam noemt.

Terug naar mijn kindertijd. Bij ons thuis heette het sippi. Voor meisjes dan. Kleine meisjes hebben een sippi, grote mevrouwen een sip. Ik wist niet beter dan dat was het algemene woord voor zo’n ding, en ik behandelde het woord met dezelfde vanzelfsprekendheid als appel of peer. Mijn zusje en ik hebben hierdoor vaak heel hard moeten lachen om dingen die voor andere kinderen heel normaal leken te zijn.

Neem nou de poes van Jip en Janneke. Dat beest heet Siepie. Wij vonden een poes die Siepie heet wel wat dubbelop en al te schunnig. Net alsof Jip en Janneke die poes expres zo genoemd hadden om hun vader en moeder voor de gek te houden.
Dan was er zoiets als sip kijken. Hoe kan je nou sip kijken? We begrepen er niets van en hebben hier erg hard om gegiecheld. Maar de klapper was wel toen ik op school hoorde dat je in Amerika de rivier Mississippi had. Het toppunt! Wie noemt er nou een rivier ‘mevrouw sippi’?! Dat mijn klasgenootjes het allemaal maar doodgewoon vonden, maakte me achterdochtig.

Een paar dagen later logeerde ik bij mijn nichtje en vroeg hoe zij zo’n ding noemden. “Oh gewoon, dat zijn je buikbillen natuurlijk.” (je hebt namelijk ook rugbillen, maar die heeft iedereen) Nee hè, wat was dat nu weer voor woord. Kort daarna veranderde het vertrouwde kapoentje in een lieveheersbeestje. Mijn geloof in de logica der dingen was definitief gebroken.