Rauw

8 augustus 2008

De sfeer in de auto was vrolijk. Het leek wel een dagje uit. Bij een groot pompstation net over de grens dronken we koffie. Het gaf een fijn gevoel met z’n allen op reis te zijn en weer eens bij te praten. Het was ontzettend warm. Alle ramen in de auto moesten open en armen en benen werden naar buiten gehangen. Totdat er dan weer een goed gesprek op gang kwam en de ramen dicht werden gedraaid. Te veel lawaai.

Toen de brug openstond renden we over de weg en genoten van het uitzicht. De laatste kilometers werd het stil. Na even zoeken vonden we de kerk en stonden afwachtend op de parkeerplaats. Zouden we naar binnen gaan? We troffen andere (ex)Leuvenaars en liepen de kerk in. Het was er ongelofelijk druk. “In dat kamertje kunt u hem nog bekijken als u wilt”, zei een man. Ik schrok van zijn opgeblazen lichaam. Daar lag een hele oude man. Een man die veel ouder moest zijn dan 49.

We zochten een plaatsje in de kerk. Ik werd toegeknikt en aangesproken door oude bekenden. De piano stopte met spelen en de kist werd binnengedragen door onze vriend, zijn zoon. Een prop schoot in mijn keel. Je vader moeten begraven terwijl je zelf nog maar een paar jaar geleden kind was. Dat is het grofste wat er is. De dood is altijd schandalig crimineel en doet je verdrinken in uitzichtloze paniek. Behalve bij hele oude mensen die vredig in hun eigen bed inslapen. Mijn 95 jarige overgrootmoeder oerbeppe overleed drie jaar geleden. Het was een ontspannen begrafenis.

Zijn vader was baptist en de dienst werd geleid door een bevriend echtpaar. Toen er een CD werd opgezet met een vrolijk barbershopkoortje dat “Oh when the Saints go marchin’ in” zong, wist ik niet waar ik moest kijken. Toch waren dit mensen die tot het laatst toe aan zijn bed gezeten hadden. Een vreemde combinatie voor mij. En toen kwam onze vriend. Hij hield een preek voor zijn vader. Toen hij het podium opliep, zag ik hem schimmig door het water in mijn ogen. “Daar loopt een jongen die zijn vader begraaft”, dacht ik, en kon er niet over uit.

Maar hij preekte schitterend en sloeg spijkers met koppen. Als je 49 bent geworden en tien jaar ziek bent geweest, kun je niet spreken van een rijk en vervuld leven. Dat deed hij niet, onze vriend. Maar hij vertelde wel dat zijn vader er aan toe was om te sterven en gelukkig terugkeek op zijn leven. Zijn lichaam was oud en opgebrand, ondanks zijn leeftijd. Hij liet een vrouw en vier kinderen achter, maar kon loslaten. Dat is iets wat je alleen kunt als je voor de dood staat, denk ik. Het is me een raadsel wat de dood met mensen doet. Het moet iets groots zijn.

Toen we naar de begraafplaats liepen in de hitte, voelde ik mijn knieen knikken van de honger. Het paste bij mijn pelgrimsgevoel. We liepen midden over de weg en al het verkeer stopte. Het moeilijkste moment was toen de kist zakte. Het lichaam van een geliefde ver weg stoppen om het nooit meer terug te zien. Toch lijkt verbranden me erger. Ik liep langs het open graf om een laatste groet te brengen. Tegenover mij stond de familie. Berooid.

Zodra ik wegliep van de graven liet de dood mij los. Ineens was er koffie met koek en omhelzingen. Wat een een opluchting. Ik wil hem niet, de dood. Ik kan er niet omheen en ben er bang voor, ontloop hem waar ik kan.
Toen we het parkeerterrein afreden, slikte ik de prop in mijn keel door.

3 Reacties naar “Rauw”

  1. pucinella zei

    Ontloop de dood maar Oker, laat maar los en slik de prop maar door. Voel je opgelucht.
    Zo lang het nog kan.

  2. Soes zei

    Jeeee. Wat heb je dit mooi geschreven….

  3. Linn zei

    Het voelt al slecht om te zien hoe het anderen overkomt dat je er niet mag aan denken hoe je je zou voelen als het jezelf overkomt.

Reageer