Behang
21 maart 2009
We maakten een wandelingetje. Dat doen we tegenwoordig, wandelingetjes maken. Als het te heet wordt in je appartement, maar nog steeds te koud is om opgestroopt in het park te liggen, maak je wandelingetjes.
Het is een toffe manier om Leuven te leren kennen, zo blijkt. Steeds komen we door andere kleine straatjes en steegjes met grappige eethuisjes en petieterige studio’s die tehuur staan. Waar we dan prompt van gaan dromen. Dat we heus wel met minder ruimte kunnen doen en dan lekker in het centrum gaan wonen. En elke avond het park in sneaken met wijn.
We lopen ook tegen vreemde winkels aan. Schoenmakers uit het jaar nul waar de ramen zo stoffig zijn, dat je er niet eens door naar binnen kunt kijken. Winkels waarvan je je afvraagt hoe de eigenaars ze draaiende houden. Plots was daar ook de behangwinkel. In de etalage van de behangwinkel lagen rollen seventies behangpapier. Ongeveer dezelfde die in de kringloopwinkel voor een tientje per stuk werden aangeboden. Ze waren trouwens wis en wel drie weg hoor, na een halve dag. Deze lagen er voor 60 cent per stuk. Dat is goedkoper dan een rol cadeaupapier. En dan heb je 4 x zoveel papier.
We gingen de winkel in en troffen alleen een kat. Ergens in de verte hoorden we een baby hartberscheurend huilen. Een dametje op pantoffels dat in zichzelf praatte, kwam ons helpen. Het waren wel de laatste 7 rollen die ze had, dus we konden niets bijkopen. Ze had ook nog wel een ander motiefje voor ons. Na een hoop gestommel kwamen er nog een paar andere rollen tevoorschijn. Het stof uit de seventies zat er nog aan.
“Dit behangpapier is nog uit de jaren zeventig of tachentig”
Ze ze toen we afrekenden.
Tsjonge, dacht ik, blijkbaar besef je toch wel wat je verkoopt.
“Dat komt nu weer helemaal op!” Sprak ze blij.
Ik heb maar niet gezegd dat een hoop retrofanaten het twintigvoudige neertellen voor haar behangpapiertjes.
In your face, kringloopwinkel!
Servieskoorts
13 december 2008
Als het op kringloopwinkels aankomt, ben ik nogal op mezelf gericht. Daar gelden andere wetten dan in winkels waar wekelijks ladingen van dezelfde nieuwe spullen in de schappen worden bijgevuld. Daar is alles uniek met de potentie van zeldzaamheid. Dat maakt het zo begerenswaardig. Tegelijk is de grens tussen mooi en lelijk erg klein. Het is die kringloopmagie waar ik van hou.
Ik heb na vanmiddag hardop moeten bevestigen: ik heb een serviesfetish. En laat ik, geluksvogel dat ik ben, in het land wonen waar de firma Boch (inmiddels opgegaan in Villeroy en Boch) het nodige aardewerk voor West-Europa heeft geproduceerd. De kans dat ik hier tegen een prachtig staaltje van retro Bochjes aanloop is groot. En omdat ontaarde kleinkinderen het dure servies van oma achteloos bij de kringloopwinkel dumpen, kan ik voor een kwartje per bord mijn lusten bevredigen.
Toen ik nog in Nederland woonde, ben ik me te buiten gegaan aan platte borden uit de Boch Baltic serie. Dat ik geen keuken had, was bijzaak. Gedistingeerd grijs met een kobaltblauw boerenbont motiefje. Ik viel ook een tijdlang op een Delftsblauw aandoende serie van Boch, waarvan ik de naam kwijt ben. Kapitalen vragen ze er voor in Nederlandse kringloopwinkels. Een kapitaal is in tweedehandsland toch zeker twee euro voor een kop en schotel. Weliswaar een fractie van wat je voor een nieuwe Villeroy en Boch zou neertellen, maar zoals ik al zei, andere wetten.
Niets blijkt echter te kunnen tippen aan de Boch Rambouillet serie uit 1966. Het was liefde op het eerste gezicht, al was het alleen maar wegens onvindbaar in Nederland. Vergis u niet in de verfoeide bruintinten die opduiken aan de binnenkant. Dit is design uit de sixties! Met enige regelmaat spurt ik naar de kringloopwinkel in Leuven, hopend dat een zuinige oude dame haar uitzet heeft overgedragen aan de grijgrage klauwen van de verzamelaar. Vanmiddag stond ik er ineens oog in oog met mijn geliefde Rambouillet. Zeker een half servies lag in een stellingkast op mij te wachten. Het servies waar ik met pijn en moeite enkele onderdeeltjes van bij elkaar had gekringloopt. Retro, handbeschilderd en bloedgeil.
Met een koffiekopje in mijn hand rende ik richting de boeken en platensectie, alias GJ. “Ze hebben alles van dees” hijgde ik hees en hield het kopje omhoog. U begrijpt, tot het samenstellen van begrijpelijke zinsconstructies was ik niet meer in staat. Daarna doorkruiste ik de winkel, op zoek naar een mandje om mijn toekomstig eigendom te confisceren. Bij de kassa keek ik zo neutraal mogelijk, koortsachtig hopend dat niemand het in zijn hoofd zou halen de zeer lage prijs in twijfel te trekken.
Nu staat ze voor mij op tafel, mijn geliefde 60 delen tellende Rambouillet. Niet omdat ik er zo graag naar wil kijken, maar omdat de keukenkastjes te vol staan. En al zou ik drie maanden geen afwas doen, ik zou nog steeds servies genoeg hebben. Liefde is een vreemde ziekte.
